Twee draaidagen, enkele handtekeningen en veel te weinig tekst

Standaard

‘Weer iemand die de mooiste dag van zijn leven beleeft’, mompelde Rudy Morren tegen Wim Van de Velde, terwijl een productiemedewerkster mijn lichaam vastsnoerde op een brancard. Hij had het over mij, maar hij vergiste zich.

Het was een weekavond in januari 2003. Enkele uren eerder had ik me zoals afgesproken aangemeld bij de prefect van mijn middelbare school. Hij bevestigde de officiële toestemming die hij me een week voordien al had gegeven: dat ik die specifieke namiddag wegens uitzonderlijke omstandigheden de school mocht verlaten. Ik glom van trots, waande me zo mogelijk nog belangrijker dan anders en beende haastig door de lange, verlaten gangen van het Sint-Jozef Klein-Seminarie in Sint-Niklaas. ‘Veel succes’, wensten de prefect en de secretariaatsmedewerkers me toe.

De uitzonderlijke omstandigheden waren dat ik die namiddag en avond mijn eerste van twee draaidagen had voor mijn gastrol in de populaire VTM-ziekenhuisserie Spoed. Ik was net 14 jaar en klaar om de televisiewereld te overrompelen met mijn talent.

Nog enkele weken eerder vonden er in Boom informele audities plaats voor enkele kinderrollen in producties van Studio’s Amusement. Het theatergezelschap waaraan ik toen verbonden was, was hofleverancier van alle minderjarige acteurs in Familie en Spoed. Vandaar.

Iedereen was uiterst nerveus, behalve ik. Toen ik 14 was, was ik zelfverzekerder dan ooit. Geheel onlogisch en onterecht was dat toen niet. Ik kon geen repetitie afwerken of voorstelling spelen zonder onder lof bedolven te worden. Mijn stem was zo dragend, mijn uitspraak helder, mijn timing en inleving perfect. Afijn, dat kreeg ik steevast te horen. Al Pacino kon zich maar beter voorbereiden op de wissel van de wacht. Maar we weten allemaal wat het beroemdste citaat van Bredero is.

Tot niemands verbazing was ik een van de uitverkorenen. Ik mocht een mail van de productie verwachten. In die mail zou ik mijn eerste televisiescript vinden. En inderdaad: kort voor mijn verjaardag, halfweg januari, ontving ik een mail met als bijlage het script van Vrijgezellen, aflevering 5.38 van Spoed. De begeleidende mail stipuleerde dat ik de rol van Bram vertolkte, een twaalfjarige voetballer die een kuitbeenbreuk had opgelopen. Meteen beeldde ik me een typische Spoed-scène in, een geënsceneerde voetbalwedstrijd met figuranten als spelers en supporters, een bekende acteur als trainer en ik als middelpunt van de actie en de belangstelling, met alle camera’s op mij gericht. Logisch dat ze mij voor die rol hadden gekozen, dacht ik. Ik was immers de enige in mijn theatergezelschap die ook goed kon voetballen.

Ik scrolde vluchtig door het pdf-bestand, op zoek naar de scène waarin Bram op uiterst dramatische wijze zijn kuitbeen zou breken. Al gauw stootte ik op een scène waarin ik op een brancard het ziekenhuis werd binnengereden. In de scène die daarop volgde, lag ik in een onderzoekskamer, terwijl er zich een gesprek ontspon tussen dokter Blijlevens (Wim Van de Velde), ambulancier Cisse (Rudy Morren) en verpleger Bob (Gert Lahousse) over hun plannen om de vrijgezellenavond van dokter Gijsbrecht (Leo Madder) te organiseren. Dat ik daar met een gebroken kuitbeen lag, kon de scenaristen niet deren. Op de onderzoekstafel lag ik figuurlijk tweede viool te spelen. Veel meer dan ‘Is het erg, dokter?’ had ik in die scène niet te zeggen.

In al mijn euh, spoed had ik vast over de voetbalscène gelezen, dacht ik. Ik scrolde terug, ging opnieuw en opnieuw op zoek naar de scène die niet bestond. Na een kwartier staakte ik de zoektocht en las ik verder in het script. Er volgende nog een korte scène waarin dokter Hofkens (Sven De Ridder) de taak van dokter Blijlevens overnam en dan aanstalten maakte om mij te verzorgen. Ergens mocht ik nog ‘Zeker, dokter’ en ‘Ja’ zeggen. En dat was het. Mijn gastrol bleef beperkt tot drie scènes, een zin en twee korte replieken. Zes woorden tekst. Zes. Mijn ontgoocheling en frustratie kon ik maar nauwelijks verbijten.

Bij mijn theatergezelschap ging ik verhaal halen over waarom ik zo’n kleine rol had gekregen. Een van mijn vrienden had immers in een andere Spoed-aflevering een veel grotere rol gekregen – en die vriend was een lamentabele acteur. Fons, wijlen de stichter van Tejaterstudio Piep, vertelde me dat Jonas die rol had gekregen omdat dat de rol van een doodziek kind was, een rol zonder tekst en een rol waarvoor zijn gebrek aan talent paradoxaal genoeg uitermate geschikt was. Voor mij wilden ze absoluut een rol met tekst. ‘Pf, zes woorden’, mompelde ik misnoegd.

(Dat was een kwalijke gewoonte van me. Als ik in een productie te weinig tekst kreeg, begon ik mijn aantal zinnen, woorden en letters tekst te tellen en bleef ik die getallen tot in den treure herhalen. Geen wonder dat ik in al mijn onuitstaanbaarheid zo vaak de hoofdrol kreeg.)

Maar goed: al met al was een gastrol in een populaire televisieserie wel prestigieus. Een exquis begin van mijn carrière. Niemand begint zijn carrière met de rol van zijn leven, toch?

Mijn vader reed me naar Boortmeerbeek. De bestemming was een gigantisch gebouw met dito parking. Ik mocht me aanmelden bij productieleider Norbert, om mijn contract te tekenen. Ik kreeg 50 euro per draaidag. Ik had er twee. 100 euro voor zes woorden tekst. Geen kwaad loon, des te meer omdat het 2003 was, toen een glas Cola (voor mij de maat van inflatie) op café nauwelijks meer dan een euro kostte. Ik tekende het contract in tweevoud en was eensklaps voor even een professioneel acteur.

De professionele acteur van net veertien kreeg een eigen kleedkamer met naambordje toegewezen. Die loge moest hij wel delen met de uiterst vriendelijke collega-gastacteur Dirk Vermiert (sergeant De Croet uit FC De Kampioenen). Ik liet mijn spullen achter en begaf me naar de costumières. Van hen kreeg ik een blauwwitte voetbalplunje, scheenbeschermers en voetbalschoenen. De costumières pleegden even overleg, twijfelden of de scheenbeschermers onder dan wel boven de kousen gedragen moesten worden. Met al mijn voetbalwijsheid zei ik hun dat die scheenbeschermers onder de kousen werden gedragen. Opgelost.

Ik was goed voorbereid. In het script stond dat mijn personage twaalf was. Maar ik was veertien. Qua lengte was dat geen probleem. Doordat ik toen maar 1m43 was, kon ik perfect voor een twaalfjarige doorgaan. Alleen: mijn puberteit was al twee jaar ingezet. Mijn benen waren al bedekt door een dikke laag haren en boven mijn lip stonden te veel snorharen. Niet gepast voor een twaalfjarige. Een dag eerder had ik dus onder begeleiding van mijn moeder met Veet mijn benen onthaard. Ze waren zo glad als een pas geboende ijspiste. Op de set van Spoed schoor ik voor het eerst mijn ontluikende snor. Dat werd vanaf die dag een dagelijkse gewoonte, tot en met een jaar geleden, toen ik besloot om mijn snor te laten staan.

De eerste draaidag had voor mij niet veel om het lijf. Ik moest door Jos Blijlevens, Bob en Cisse met een brancard de spoedafdeling worden binnengereden. Dat ogenblik was onderdeel van een langere scène, die heel wat acteurs en opnametijd vergde.

In de fabrieksgang die voor de kijkers de inkomhal van de spoedafdeling was, vlijde ik me neer op een brancard. Naast mij stonden Rudy Morren, Wim Van de Velde, Gert Lahousse, enkele figuranten, drie technici, wat productiemedewerkers en een ambulance. ‘Weer iemand die de mooiste dag van zijn leven beleeft’, mompelde Rudy Morren tegen Wim Van de Velde, terwijl een productiemedewerkster mijn lichaam vastsnoerde op een brancard. Hij had het over mij, maar hij vergiste zich. ‘Dit is voor mij maar het begin,’ antwoordde ik in gedachten, ‘mijn carrière zal groter en grootser zijn dan de jouwe’. Hij bedoelde het sympathiek, hij meende het goed, maar wist hij veel dat de puber op de brancard tomeloos hovaardig en ambitieus was.

Instructies kreeg ik niet. Ik moest me maar zien te redden. Ik dacht na. Brams kuitbeen was zogezegd gebroken. Hij was door een ambulance opgehaald op een voetbalveld. Daar was hij op een brancard gelegd, vastgesnoerd en vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd. Hij lag vast al minstens tien minuten, een kwartier vol pijn op die brancard. Bram was een voetballer. Een verdediger, volgens het script. Een harde voetballer dus, geen janker. Ik besloot de pijn niet te acteren, maar Bram een soort copingstrategie te laten hanteren. Ofte: ik zou met gesloten ogen op de brancard liggen. Niemand zei me dat dat niet goed was.

Na een uur en een take of tien werd ik eindelijk van mijn boeien verlost. De eerste draaidag zat erop. Overmorgen moest ik me ’s ochtends vroeg aanmelden, voor een volledige draaidag. De draaidag van mijn zes woorden tekst. De draaidag waarop ik niet naar school moest. De dag waarop ik mijn eerste 15 minutes of fame mocht beleven.

De dag bestond voor mij uit twee delen. De scène waarin Jos, Cisse en Bob snode plannetjes smeden werd in de voormiddag opgenomen, de scène met dokter Hofkens vond in de namiddag plaats. Mijn chauffeur, die ik ook toen papa mocht noemen, installeerde zich in de cafetaria van Studio’s Amusement. Aan de toog deed Ronny Waterschoot, Didier De Kunst uit Familie, zijn naam weinig eer aan en hij bestelde zijn eerste Duvel. Het was negen uur of zo.

Ik wandelde op een voetbalschoen en een blote voet van de schmink naar de set. De vloeren van Spoed waren niet zo schoon. Vandaar dat mijn zichtbare voetzool zo zwart was in die scène.

De regisseur vroeg me of ik mijn script bijhad. ‘Ik ken al mijn tekst uit het hoofd’, zei ik met een mengeling van ironie en cynisme. Veel aanwijzingen kreeg ik niet. Mijn belangrijkste zin – ‘Is het erg, dokter?’ – moest ik zeggen toen Jos Blijlevens bedachtzaam naar de scan van mijn been stond te kijken.

Toen Campert nog schreef, schreef hij: ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden.’ Ik besloot bij de tweede take in het moment om mezelf een woord tekst extra te gunnen. Toen dokter Blijlevens mijn personage meedeelde dat mijn kuitbeen gebroken was, leek het mij, karakteracteur in spe, wel gepast dat een twaalfjarige daarop zou reageren met een repliek die zowel onschuld als bezorgdheid reveleerde. En zo eigende ik mezelf een zevende woord tekst toe: ‘Oei.’

Met wat zin voor realisme besloot ik ook om bij het optillen van mijn gebroken kuitbeen niet te veel kabaal te maken. Ik was een harde verdediger, weet je wel? Al Pacino had dat personage vast niet realistischer kunnen vertolken. Kan Al Pacino eigenlijk wel voetballen?

De tweede take was meteen ook de laatste. De regisseur was tevreden. De acteurs gingen op een klein tv-toestel de rushes bekijken. Enkele andere acteurs, die op hun scènes stonden te wachten, kwamen meekijken. De delivery van mijn ‘Oei!’ riep een massale, goedkeurende lach op. Sven De Ridder en de ravissante Christel Vanschoonwinkel (Betty in De Kotmadam, dokter Kathy Pieters in Spoed) wierpen me zelfs een goedkeurende glimlach toe. Ik zat op een wolk.

De acteurs uit Familie en Spoed bliezen verzamelen in de cafetaria voor de middagmaaltijd. Zij gingen aan een lange tafel zitten. Aan de andere tafels zaten figuranten, medewerkers en enkele gepensioneerden die die dag een rondleiding kregen in de gebouwen van Studio’s Amusement. Zoals het een bescheiden televisiester paste, ging ik aan tafel zitten bij mijn chauffeur, mijn vader. Die vertelde me dat Didier De Kunst al een Duvel of vijf naar binnen had gegoten. Lang bleef ik echter niet bij mijn chauffeur. Christel wenkte me immers, nodigde me uit om aan de acteurstafel te gaan zitten. Noblesse oblige. Ik at mijn vol-au-vent en puree met weinig smaak maar veel bewondering en trots.

Na de maaltijd werd het gros van de acteurs weggeroepen, want zij moesten weer aan de slag. Ik diende nog wat te wachten. Mijn vader en ik dronken een cola. De acteur aan de toog zat inmiddels aan Duvel nummer zeven. Het was nog niet eens een uur. Niet veel later volgde mijn eresaluut. Uit de intercom weerklonk:

‘Yannick Van Puymbroeck wordt dringend op de set van Spoed gevraagd. Ik herhaal: Yannick Van Puymbroeck wordt dringend op de set van Spoed gevraagd.’

Fluks stond ik op. De gepensioneerden keken op van achter hun koffies en gebakjes, sperden hun monden en ogen, staarden me aan als was ik de nieuwe Guido Van den Bossche. Ik was een ster.

Op de set verontschuldigde ik me niet voor mijn laattijdigheid. Dat doen vedettes niet. Ik ging weer op de bank liggen. De regisseur gaf wat summiere instructies. De camera’s werden op mij en mijn collega’s Van de Velde en De Ridder gericht. Actie.

Fascinerend vond ik het hoe de scène take na take een nieuwe wending kreeg. Wim Van de Velde en Sven De Ridder improviseerden erop los. Wat op papier een droge scène was met een dokterswissel, ontaardde al gauw in een rivaliteitsspel vol steken onder water. (Van water gesproken: mijn vader was in de tussentijd de tel kwijt wat betreft het aantal Duvels van de heer Waterschoot.) Improviseren was hier de norm? Geen probleem. Wederom zag ik mijn kans schoon. Dokter Hofkens vroeg me: ‘Gij speelt back?’ ‘Ja’, antwoordde ik naar het script. ‘Venijnig aanvallerke, zeker?’ En in plaats van daar de scène te laten stoppen, gaf ik, meester over de situatie, een ontspannen repliek aan de vriendelijke dokter. ‘Amai’, improviseerde ik, en ik schraapte veroordelend mijn keel als besluit. (Later zou de VPRO in de Nederlandse uitzendingen mijn geïmproviseerde ‘Amai’ ondertitelen als: ‘Zeg dat wel.)

‘Cut! Dat was een heel goeie’, riep de regisseur. Puntgaaf. Het begin van mijn acteercarrière zat erop. Dat had ik knap gedaan, vond ik van mezelf. De rushes zagen er goed uit, de scène was door de improvisatie van Wim en Sven (in gedachten mocht ik Wim en Sven zeggen) beduidend beter geworden, de voetballer verkeerde in de vorm van zijn leven.

Op de wandeling naar mijn loge werd ik aangeklampt door de bejaarden. Ze hadden boekjes in de hand. Vroegen mij, de bekende acteur, of ik geen handtekening wilde plaatsen. ‘Natuurlijk’, zei ik met de jovialiteit van een hautaine vedette die naar eigen zeggen altijd gewoon is gebleven. Zo komt het dat er nu ergens in Vlaanderen enkele families zonder het te weten een authentieke Van Puymbroeck-signatuur geërfd hebben van hun overleden (groot)ouders.

Op 19 maart 2003, ongeveer twee maanden na de opnames, vandaag dag op dag vijftien jaar geleden, werd de Spoed-aflevering Vrijgezellen uitgezonden. Die avond kreeg ik enkele sms’jes en chatberichten via wijlen MSN Messenger. Plots had ik ook een eigen pagina op internet – hét internet. In de International Movie Database (imdb.com) stond plots:

‘Yannick Van Puymbroeck is an actor, known for Spoed (2003).’ Dat bleef veertien jaar ongewijzigd, tot ik Misantropica maakte.

Veel veranderde er niet in mijn leven. De lerares godsdienst vroeg me wel hoe ik aan die rol was geraakt. In het schoolmagazine Ic Hou verscheen een interview met als kop ‘Yannick Van Puymbroeck (2e Grieks-Latijn) in Spoed’. Enkele jongens van het 6e middelbaar vroegen me ironisch om een handtekening – die ik wel heb geplaatst, daar niet van. Mijn klasgenoten vermaakten zich met de frase ‘Haast en SPOED zijn zelden goed’ wanneer ik een examen behoorlijk snel indiende. Maar veel veranderde mijn televisierol niet aan mijn leven. Mijn kleine rol betekende niet mijn grote doorbraak. Na Spoed heb ik geen nieuwe televisierol meer toebedeeld gekregen.

De acteersectie van mijn IMDb-pagina bestaat tot nader order uit twee credits. In 2003 was ik een ‘Voetballertje’ in Spoed. In 2017 vertolkte ik in Misantropica de rol van ‘Yannick Van Puymbroeck’. Hoe je het ook wendt of keert: twee rollen die Al Pacino of Ronny Waterschoot nooit zouden kunnen vertolken.

Ooit, ooit wil ik nog wel als acteur op televisie verschijnen. Maar voorlopig heb ik geen haast. En nee, ook geen spoed.