Lees mij. P-L-E-A-S-E.

Standaard

op de hooizolder van de poëzie
laaf ik me aan lauw appelsap en misantropie
vooral dat laatste smaakt me
 
sommige mensen drinken kraantjeswater om het klimaat te redden
maar geloof me: misantropie heeft een ecologische voetafdruk
die zo zacht is dat het lijkt alsof je de grond niet eens raakt
dat je zweeft
hoog boven de hoopvolle hoofden van de dichters
die naar aanmoediging, erkenning, succes dorsten
 
(succes)
lees: een publicatie
lees: mij. p-l-e-a-s-e
al mijn gedichten spelen zich af in de natuur
zoals het hoort
de wind, die waait
de zon, die straalt
de regen, die plenst
de grote gerenommeerde dichter, die grijnst
zijn uitverkorenen weten wat p-o-ë-z-i-e is
zij lezen het elke dag
zoals het hoort
zij zijn er elke dag mee bezig
zoals het hoort
 
de grote gerenommeerde dichter spreekt de menigte toe
zegt:
wees niet egocentrisch
heb een eigen stem
schrijf geen bloggedichten
schrijf niet over jezelf
 
de grote gerenommeerde dichter denkt:
wees mij
zoals het hoort
 
de twintig uitverkorenen hebben
(naar de deskundige mening van de grote gerenommeerde)
een eigen stem
zijn zo goed als klaar voor
(tromgeroffel, accordeongeneuzel)
PUBLICATIE
 
allemaal delen die twintig dichters dezelfde eigen stem
 
die stem is
(in willekeurige volgorde)
niet welluidend / monotoon
naast de toon van de werkelijkheid
 
de inhoud van de gedichten is
(in niet-willekeurige volgorde)
hoogdravend / beladen / gekunsteld
schatplichtig aan de natuur
niet in staat de zeitgeist te vangen

(zeitgeist, wat is dat eigenlijk?
dat leenwoord zijn we niet tegengekomen
in de bloemlezingen van onder andere
guido gezelle & de schoolmeester
die we van de grote gerenommeerde ter voorbereiding moesten
doornemen, lezen, memoriseren, imiteren)

achteraan in de zaal
onder de ring van de hooizolder
zweeft nog steeds:
mijn egocentrische lyrisch subject
maar ik mag hem Yannick Van Puymbroeck noemen
 
van hoop krijgt een menigte het heet
snikheet, zoals bukowski nooit zei
 
ik vermeld bukowski omdat de dichter
(je weet wel, die grote gerenommeerde)
hem aan het begin van de avond citeerde
 
hij moest toch etaleren
dat hij (ook hij) poëzie las
dat hij (hij evenmin) niet egocentrisch was
 
uiteraard in tegenstelling tot het merendeel van de schrijvende jeugd
die bloggen om den brode en schrijven
(o huiver) relevante poëzie
 
over een verwijlend klimaat bijvoorbeeld
zodat de bossen en de wateren behouden blijven
zodat er inspiratie rest voor grote gerenommeerde dichters
 
altruïsme zonder weerga
 
ik bied de menigte verkoeling
door quasi onophoudelijk met de ogen te rollen
en te zuchten
 
dat is misantropisch (ik geef het toe)
maar misantropie is goed voor het klimaat
(geen dank, gerenommeerde & uitverkorenen)
 
het spijt me
maar meer kan ik niet doen
 
in tegenstelling tot de grote gerenommeerde
heb ik het leven vooralsnog louter actief
vanuit mijn eigen perspectief weten te beleven
 
schizofrenie staat poëziepedanterie niet in de weg

De dagen zijn aleatorisch

Standaard

ergens in de avond vraagt iemand hoe je dag was
je zegt: mijn dag is nog niet zo lang bezig
je vraagt: welke dag is het eigenlijk?
iemand zegt: dinsdag of zo, maar ik wou dat het al weekend was, maar dat is nog zo lang
je berekent: nog drie dagen
voor iemand: woensdag, donderdag, vrijdag
voor jou: willekeurige dag, willekeurige dag, willekeurige dag
maar hoe was hij?
wie?
je dag
o, zozo, zoals alle andere, maar dan anders
hoe anders?
gewoon, anders
gewoon anders?
gewoon, anders, als in: er is net als alle andere dagen niets gebeurd
je bent een dag ouder
hebt een dag minder te leven
en morgen is die minder nog minder dan nu
denk je
of hoop je
of vrees je
dat zie je morgen wel
de dagen zijn aleatorisch
om maar te zeggen
vandaag gaat het wel

Hoe gaat het nog met … ?

Standaard

Gisteren zei ik nog: ‘Niet te geloven dat het alweer Nieuwjaar is. Wat gaat de tijd toch snel.’ Dat is blijkbaar al vijf maanden geleden.

Niet dat er in de tussentijd niets is gebeurd. Op sommige vlakken had mijn leven best mogen stagneren. Maar de omwenteling der gebeurtenissen kent zelden mededogen.

Een vraag die ik op quasi elke sociale gelegenheid voorgelegd krijg, is: ‘Hoe gaat het nog met …?’ In de meeste gevallen is die vraag een mix van oprechte interesse en een anticiperende opvulling van een nakende ongemakkelijke stilte. De invulling van het beletselteken is afhankelijk van wie de vraagsteller is en van hoeveel andere mensen het gesprek zouden kunnen horen. De vuistregel is: hoe minder aanwezigen, hoe persoonlijker de vraag. In die laatste situatie helt het hoofd van de vraagsteller wat over naar de rechterkant.

Yannick Van Puymbroeck 2.9 Pro (het recentste besturingssysteem van mijn identiteit) beantwoordt die vragen over facet of project graag met veel passie en openheid. Helaas is die versie van mezelf nog niet volledig van bugs gevrijwaard. Zelfbewustzijn en zelfrelativering manifesteren zich af en toe, zorgen ervoor dat ik mijn antwoorden weglach nog voor ik ze uitspreek, maken mijn zinsconstructies wankel, doen me stamelen. Kwalen die nog een restant zijn van de Yannick Van Puymbroeck 2.4 Home-editie. Er volgt dra een software-update, hoop ik.

In afwachting van die software-update die mezelf in publieke omstandigheden eindeloos en onbeschroomd mezelf maakt: een getikte reeks FAQ in de ‘Hoe gaat het nog met …?’-categorie.

Q: Hoe gaat het nog met je toneel?

Zeer goed. In theaterseizoen ’18-’19 gaan twee solovoorstellingen van mij in première. Over de eerste geef ik voorlopig niets meer prijs dan dat de première op 8 november plaatsvindt en dat er vanaf over een week of drie tickets kunnen worden besteld. De tweede solovoorstelling heet Don’t believe the hyperconscious mind en zal op 12 en 13 februari 2019 te zien zijn in de Arenberg in Antwerpen. Daarna wil ik met die voorstellingen op tournee.

Extra Q: Wie speelt er mee?

Niemand behalve ikzelf. Het zijn solovoorstellingen. Na negen klassieke theatervoorstellingen – met personages en acteurs – was het de hoogste tijd voor een nieuwe fase in mijn theaterwerk. Vanaf 2013 begon ik steeds meer compromissen te sluiten, probeerde ik steeds meer rekening te houden met het hypothetische publiek, met wat zou aanspreken, met wat begrijpelijk zou zijn. Gek genoeg zijn mijn meest succesvolle voorstellingen de voorstellingen geweest waarbij ik louter met mijn eigen smaak rekening hield. Het werd dus tijd om weer dingen te beginnen maken die uit een intrinsieke noodzaak zijn ontstaan, niet uit de een of andere populaire gedachte.

En, toegegeven: na het omstandige debacle dat De wedergeboorten in mijn perceptie1 was, had ik nood aan ademruimte, en wou ik theater maken met dezelfde vrijheid waarmee ik mijn roman schrijf, poëzie schrijf, eender wat maak eigenlijk. De klad zat erin. Inhoudelijk was De wedergeboorten een culminatie van de acht vorige stukken. Ik verlangde naar een nieuw begin, maar kreeg een einde in de plaats. En hoe diep ik in september ook zat: het was het beste breekpunt dat ik me kon wensen. Een eye-opener.

De volgende voorstellingen zullen op erg verschillende manieren een vloeiende mix zijn van fictie, essay, poëzie, stand-up en muziek. Ik zeg niet dat ik nooit meer een klassieke voorstelling zal schrijven en regisseren, maar met de ideeën die ik nu heb en het plezier dat ik put uit de nieuwe manier van werken, zie ik me de komende jaren niet terugkeren naar de harde regisseurstoel. Solo werken is vaak minder eenzaam dan in groep.

1. Niet iedereen vond die voorstelling echter even vreselijk. Mijn moeder vond het bijvoorbeeld ‘een fantastisch stuk’. Op basis van die voorstelling was ze er helemaal van overtuigd dat ik een grote carrière zal maken. Het klinkt vast bizar, maar: ik ben blij dat ze met die hoopvolle gedachte over mij is kunnen gaan.

Extra Q (van mijn grootmoeder): Is het om te lachen?

Het onderscheid tussen komedie en drama is niet meer van deze tijd – tenzij voor voorstellingen die in parochiezalen worden opgevoerd. De voorstellingen zullen entertainend zijn, beloofd. Maar om het met een cliché te zeggen: humor is een middel, geen doel.

Q: Hoe gaat het nog met je marathon?

Op 9 september (2018) sta ik aan de start van de In Flanders Fields Marathon. Samen met een duizendtal andere hobbyistische atleten loop ik 42,195 km van Diksmuide naar Ieper.

Ruim drie maanden voor de start heb ik toch al drie trainingen achter de rug. De langste afstand die ik het afgelopen jaar heb gelopen, is 4 kilometer.

Extra (retorische) Q: Zot, dat lukt toch nooit?!

Elf jaar geleden liep ik 30 kilometer in 2 uur en 10 minuten. Niet dat ik die snelheid het komende jaar zal evenaren, maar er schuilt een loopaanleg in mij. Een restant van Yannick Van Puymbroeck 1.8 Bèta: het is niet omdat anderen het niet kunnen, dat ik het niet kan. Ik maak me sterk dat ik de marathon gezond en wel zal uitlopen tegen een gemiddelde snelheid van 10 kilometer per uur. Noteer maar.

Vanaf vandaag begin ik trouwens ernstig te trainen. Ik heb me een goedkope smartphone2 aangeschaft die als surrogaatmuziekspeler zal fungeren. De enige apps die ik op de simkaartloze smartphone zal gebruiken, zijn Spotify en OnCoach.

Het moet hoe dan ook lukken, want meer dan lui ben ik gierig. En mijn inschrijvingsgeld is al maanden geleden betaald. Dus…

2. Moto C Plus. €79 bij bol.com. 16 GB Intern Geheugen, Quadcore, 1 GB Ram. Koopje.

Q: Hoe gaat het nog met je roman?

De roman die ik tussen 2012 en 2015 heb geschreven – Ontaarding – vond ik niet goed genoeg. Hij was, zoals mijn theaterwerk uit die tijd, een plot, weinig meer dan dat. Weinig tweede of derde lagen, niets eclectisch, weinig tot geen van mijn tropes. De roman bestond uit twee parallelle verhaallijnen die uiteindelijk samenkwamen, de apotheose zorgde voor een volmaakte cirkel3. Om maar te zeggen: ik zat volop in mijn behoedzame periode4.

Nu ben ik bezig met de roman die mijn debuutroman moet en zal worden. Een werktitel geef ik niet prijs, maar in de roman volgen we twaalf personages – die elk een ander sterrenbeeld hebben – tijdens de drie weken durende periode dat de planeet Mercurius ogenschijnlijk retrograde draait. De twaalf personages verlangen er elk afzonderlijk naar om de tijd terug te draaien. Een van de personages heet geheel ontoevallig Yannick Van Puymbroeck en is nog minder toevallig van sterrenbeeld Waterman.

Het resultaat zal in de loop van 2019 wel ergens in de betere boekhandel/webshop te koop zijn, toch?

3. Pleonasme. Als een cirkel niet volmaakt is, is het geen cirkel.
4. RIP (°07/2013 – †02/2018)

Q: Hoe gaat het nog met jou? (Impliciet: sinds het overlijden van je moeder.)

Het gaat. Oké. Goed. Ik heb de werkelijkheid aanvaard omdat iets anders geen optie is. Al rest er natuurlijk een lacune die niet meer op te vullen valt.

Haar overlijden heeft me alleszins getriggerd om meer mezelf te zijn, roekelozer te zijn, meer je m’en fous, om me minder aan te trekken van eender wie of wat. Zoals ik ben opgevoed: als een assertieve, boude jongeman die niet bang is om uit de band te springen5.

Niet dat ik geen vlagen van sentiment ken. Voor het slapengaan wens ik haar bidprentje een fijne nacht, in belangrijke omstandigheden vraag ik om hulp. Opmerkelijk gedrag voor iemand die tussen atheïsme en agnosticisme zweeft.

Maar dus: het gaat wel.

5. Toen ik negen was, droeg ik onder impuls van mijn moeder een lange siervlecht in mijn haar. Toen ik elf was, voorzag ze mijn bles van goudblonde mèches. Zoals je in onderstaande foto kan zien, waarop ik in het gezelschap vertoef van een ander notoir geblondeerd heerschap.

 

Q: Hoe gaat het nog met je taak als voetbaltrainer?

Vanaf volgend seizoen ben ik hoofdtrainer van de damesploeg van FC Daknam. De trainingen vangen aan in de laatste week van juli. Het spreekt voor zich dat ik enorm naar het nieuwe seizoen uitkijk. Voor de speelsters zal de nieuwe speelstijl6 een cultuurshock zijn waar ze snel aan zullen moeten wennen, maar ik ben ervan overtuigd dat er ons bij Daknam veel mooie seizoenen vol successen te wachten staan. De groep speelsters is alvast erg hecht, bestuur, supporters en medewerkers zijn erg hartelijk. Dat het maar gauw juli is. Niet dat ik verwacht dat twee maanden lang zullen duren als de afgelopen vijf maanden nauwelijks een dag lijken te hebben geduurd.

Daarenboven zal de driewekelijkse fietsafstand Sint-Amandsberg – Lokeren (40 kilometer retour) mijn marathontrainingen geen kwaad doen. De beste verplaatsing is de gedwongen verplaatsing.

6. Erg compacte zonedekking, defensieve en offensieve patronen en looplijnen, een dynamische veldbezetting, tactische trainingen, technisch verzorgd combinatievoetbal in twee tijden, ingestudeerde stilstaande fases. Er is een reden waarom ik twaalf, elf, tien jaar geleden als piepjonge trainer op een hoger niveau unaniem lof kreeg en mij een grote toekomst toegedicht werd. Tijd om als nog steeds erg jonge trainer van onderen aan de grote klim te beginnen, want: ‘I’m not one of the bottle. I think I’m a special one.’ (José Mourinho.) Misschien plaats ik deze zomer eens een literair geschreven tactische analyse van de Rode Duivels online. Een manifest tegen de 3-4-2-1 die in balbezit een te diepe 5-4-1 wordt, die tot te veel 1-tegen-1-situaties leidt. Als iets mijn speelstijl typeert, is het het gebruik van extreme defensieve en offensieve overloads.

Q: Hoe gaat het nog met je poëzie?

Sinds 2014 heb ik niets meer in die vorm geschreven7. Wat ik jammer vind. Op een bepaald moment ben ik ermee gestopt omdat ik vond dat ik er niet goed in was. Mijn gedichten waren niet meer dan omzwachtelde expressionistische relazen. Heel klassieke vrije verzen, hoogdravende taal, enjambementen. Maar: weinig ideeën, weinig experiment, weinig eclecticisme. Mijn creatieve ideeën waren veelal narratief van aard, (te) plotgedreven, en eindigden uiteindelijk als toneelstuk, webserie of hoorspel.

7. Uitgezonderd het gedicht dat op het bidprentje van mijn moeder prijkt.

Extra Q: Hoe gaat het nog met je voornemen om in retrospect minder hard te zijn voor jezelf?

Goed punt. Ik zal het anders formuleren: ik ben de laatste maanden tot het besef gekomen dat wat ik maakte niet in overeenstemming was met mijn artistieke visie. Ik heb veel geleerd – vooral over mezelf.

Extra Q: Heb je nog plannen om poëzie te schrijven?

Jazeker. Er is een hyperrealistische, eclectische, epische bundel in de maak. Die te lezen valt zoals je naar een conceptalbum luistert.

Het resultaat zal in de loop van 2019/2020 wel ergens in de betere boekhandel/webshop te koop zijn, toch?

Q: Hoe gaat het nog met je podcast?

Vorige zomer wou ik – na de release van mijn webserie Misantropica en voor de repetities van De wedergeboorten – ter verpozing een eerste seizoen van de podcastreeks De toevalzoeker schrijven, maken en uitbrengen. In samenspraak met de productieleidster8 heb ik uiteindelijk beslist dat het beter was om de thunder van De wedergeboorten niet te stelen. Een vergissing als een andere.

Afijn: na september 2017 ben ik in een soort mix verzand van milde depressie en introspectieve twijfel. Veel verwijten voor mezelf, schuldgevoel, spijt, zelfverloochening. Daarenboven waren de slaapproblemen van weleer weer helemaal teruggekeerd9. Er was nood aan verandering, een breekpunt, nieuwe impulsen. Kortom: niet de ideale periode om me op die podcast te storten.

Mettertijd is het idee voor De toevalzoeker wat gesleten, veranderd, weggegooid, opgerakeld en uiteindelijk opgegeven. Om het echt finaal weer in gewijzigde vorm op te dissen. Ik ga de podcastreeks maken, die zal zoals mijn voorstellingen een mix zijn tussen allerhande vormen, het eerste seizoen zal in 2018 verschijnen, zal als ondertitel Scènes uit het bestaan van iemand die op hoop leeft dragen, maar wanneer precies, weet ik niet. Heeft ook geen belang.

8. Fancy titel voor An Willems.
9. Pas een maand geleden ben ik op slaap-, stress- en depressievlak helemaal vrij van medicatie. Al wat nog rest is een schamel pilletje tegen hooikoorts en iets cosmetisch.

Extra Q: Wordt De toevalzoeker je eerste podcast?

Als klassiek schrijver en regisseur heb ik al het hoorspel Maya / Van de waarspraak en het loensend visioen (2012) en de over-the-top hoorspelreeks (2013) Helleblind gemaakt. Die creaties vallen nu als podcast te beluisteren. Gewoon op de link klikken en dan vind je die jeugdzondes wel.

Maar: deze maand werk ik aan een eenmalige podcast, die de titel draagt van een toneelstuk dat ik uiteindelijk nooit gemaakt heb.

Extra Q: Hoe heet dat toneelstuk dat je uiteindelijk nooit gemaakt hebt?

De Yannick Van Puymbroeck Show.

Extra Q: Is dat geen al te polariserende titel?

En dan?

Q: Hoe gaat het nog met je webserie?

In de zomer van 2015 heb ik als eenmanscrew met een cast van zo’n twintig acteurs tweemaal het eerste seizoen10 van de soap/sitcom Misantropica gefilmd. In een week heb ik mezelf leren graden en monteren. In die week heb ik die zevendelige reeks – vier uur fictie – daadwerkelijk gemonteerd. Als ik op technisch vlak op iets trots ben, is het daarop.

Uiteraard kon die reeks heel wat beter. Wederom probeerde ik met die reeks iets toegankelijks te maken, een mix tussen een soap en een sitcom, heel lineair en maar zelden stout of los erover11. Het cliché als stijlfiguur.

Weinig is leuker dan met vrienden iets te maken. Uiteindelijk was de reeks een zeer aangename leerschool voor een autodidact. Aangezien ik niet te hard mag zijn voor mezelf, vind ik dat het resultaat – mits disclaimer – gezien mag worden, vermakelijk is en een consistente sfeer en filmstijl12 heeft. Maar dat betekent niet dat ik ze aan Netflix ga trachten te verkopen. Dat zou enkele Scheldebruggen te ver zijn. Liefst hou ik mijn hybris realistisch.

Nadat Misantropica in 2015 tweemaal publiekelijk was vertoond, heb ik een jaar geleden beslist om de reeks te hermonteren en online te plaatsen. Ik was wat beschroomd – want twee jaar later vond ik dat de reeks heel wat beter geschreven had kunnen zijn – maar uiteindelijk waren de reacties best fijn.

10. Twee draaidagen voor het einde verdween een van de hoofdacteurs met de noorderzon. Resultaat: zowat alles moest opnieuw worden gefilmd. Die tweede opnameperiode was hels, al kreeg dat adjectief twee jaar later een nieuwe dimensie tijdens de repetitieperiode van een niet nader genoemd toneelstuk.
11. Ik zal nooit vergeten hoe tijdens de première van de reeks een ouder koppel aan het einde van aflevering vijf een kijkje kwam nemen. De eerste scène die ze zagen, was een homo-erotische scène op een pornoset. Die mensen waren sneller weer buiten dan dat ze binnen waren.
12. Elke aflevering bestaat Ackermangewijs uit louter statische, theatrale shots. Behalve de vierde aflevering, de bottle episode, waarin de dichters hun comfortzone verlaten, die is uit de hand gefilmd. Die aflevering bevat ook een continu shot van meer dan negen minuten. En aflevering zeven bevat louter in de epiloog tekst.

Extra Q: Het eerste seizoen eindigde met de melding ‘Wordt hopelijk vervolgd…’ – Komt er een tweede seizoen?

Niet nu, niet volgend jaar, maar wie weet, ooit, in een vlaag van nostalgie, om van het tweede seizoen de reeks te maken die Misantropica oorspronkelijk had moeten te zijn. En om die arme Aza uit haar limbo te halen. En om de reeks lekker meta te maken. Misantropica: The Return, zoiets.

De enige voorwaarde is: van de oorspronkelijke zeskoppige hoofdcast moeten er minstens vijf weer in zijn. Of toch zeker vier. We zien wel.

Misantropica: The Return zal in de loop van 2020/2021 wel ergens op Netflix te zien zijn, toch?

Extra Q: Staat er geen andere webserie op je website aangekondigd?

Goed gezien! Inderdaad, ik ben van plan om de soloserie It’s not a dream, it’s not a mirage te maken en online te plaatsen. Maar wanneer weet ik niet. Misschien dit najaar, in de schemerzone tussen mijn twee theatervoorstellingen. Alleszins voor mijn 3013.

13. 20 januari 2019.

Q: Hoe gaat het nog met je literair tijdschrift?

Geen budget, geen draagvlak. Jammer. Het project duikt vaak op in mijn nachtdromen. Misschien komt het er nog van over een à twee jaar14.

14. Wanneer/als ik rijk en beroemd ben. En als ik de oorspronkelijke redactie kan overtuigen. Het had echt iets bijzonders kunnen worden, dat tijdschrift.

Q: Hoe gaat het nog met je muziek?

Leugentje. Niemand stelt mij die vraag, omdat ik er nog niets over heb verteld. Maar inderdaad, met enige schroom beken ik: voor enkele van mijn volgende projecten ben ik zelf (elektronische) muziek aan het componeren. Soundtrack en songs. Met lyrics. Die ik zelf parlando zing. Niet dat ik meteen een EP zal uitbrengen, maar de muziek zal hier en daar in eerder in deze tekst vermelde producties opduiken. Het zat al jaren in mijn hoofd – en nu durf ik me er eindelijk aan te wagen. Je m’en fous.

Q: Hoe gaat het nog met je toilet?

Het spoelt sporadisch niet (goed) door. De leidingen zijn te horizontaal en er zijn buren die doekjes doorspoelen die niet mogen worden doorgespoeld. Resultaat: hoog stilstaand water in het laagst gelegen toilet in het complex. Zodra mijn carrière een hoge vlucht heeft genomen, koop ik een woonboot in mijn droomstad Amsterdam15.

15. Die roman moet een bestseller worden en mijn solovoorstellingen een kassucces, ik weet het. Help me alsjeblieft, mama.

Q: Hoe gaat het nog met je kapsel?

In 2014 heb ik – na jaren halflange haren – beslist om voor een korter kapsel te gaan, de toen erg hippe undercut. Iets minder dan twee jaar geleden evolueerde de undercut naar een conventioneel middelkort warrig kapsel. Kortom: vier jaar lang had ik een naar rigide voetbalnormen perfect aanvaard mannenkapsel.

Mijn aangeboren contrariteit is onnavolgbaar: over twee maanden ben ik voetbaltrainer en sinds twee maanden heb ik beslist om mijn kapsel weer in de richting van schouderlengte te laten evolueren. Als er iets voorspelbaar is, is het mijn onvoorspelbaarheid.

 

Q: Hoe gaat het nog met je voornemen om kortere teksten te schrijven en minder voetnoten te gebruiken?

Zeer goed16.

16. Yannick Van Puymbroeck hanteert hier met weinig succes ironie als humoristisch stijlmiddel.

Het egodocument

Standaard

“Bescheidenheid bij de middelmatigen is louter eerlijkheid. Bij de grote talenten is het hypocrisie.”

Arthur Schopenhauer over de vermeende deugd bescheidenheid

“Natuurlijk heb ik een groot ego, zoals iedereen met de gedachtekronkel ‘Ik kan iets waardoor ik het verdien om op televisie te komen’.”

Gilles De Coster over zichzelf en zijn collega’s

“Ik laat deze egotrip van Alex Turner aan mij voorbij gaan…” (sic)

Myriam F.1 over Tranquility Base Hotel + Casino, het nieuwe album van Arctic Monkeys

Op 11 mei 2018 verscheen Tranquility Base Hotel + Casino, het langverwachte zesde album van Arctic Monkeys. Waarmee ik mezelf er meteen aan doe herinneren dat ik al zo’n 13 jaar fan ben van die band.

Middels wijlen MSN Messenger had een meisje me ergens in 2005 verteld van een nieuw bandje dat via MySpace furore aan het maken was. Ze stuurde me een van hun demo’s door, een bestand van nog niet eens 3 MB2. Meteen nadat ik 14 – I Bet You Look Good on the Dancefloor.mp3 in de bedenkelijke kwaliteit van 128 kbs op mild illegale wijze had beluisterd, was ik verknocht aan de snerpende gitaren en de haastige, eloquente lyrics van de zanger die volgens Google Alex Turner heette.

Enkele weken later zou I Bet You Look Good on the Dancefloor als single worden uitgebracht en een wervelwind doen razen door de Britse muziek. Via de hipste torrentsite van dat moment3 haalde ik ondertussen nog wat andere demo’s binnen. Songs als Scummy4, Perhaps Vampires Is a Bit Strong, But… en Cigarette Smoker Fiona waren de soundtrack voor mijn busreizen van Rupelmonde naar Sint-Niklaas en terug.

Een jaar later brachten Arctic Monkeys hun eerste album uit. Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not. Een titel als een spiegelbeeld voor iemand die al heel zijn leven graag tegendraads was. Ik nomineerde het album als kerstcadeau. De legende wil dat mijn grootmoeder en mijn meter samen naar de Free Record Shop in Beveren trokken, daar naar dat album vroegen en dat de niet al te schrandere verkoper met een compilatie-cd van de Britse 60s-band The Monkees5 kwam aandraven. Mijn leven had er heel anders kunnen uitzien.

*

Enkele dagen terug zei iemand op Twitter: “Ik kan niet om met mensen met een groot ego.” Hij bedoelde het niet deemoedig. Ik sprong – als officieuze woordvoerder van mensen die niet ontkennen dat ze een groot ego hebben – op die bewering, zei dat mensen best een ego mochten hebben, zeker als ze heel getalenteerd zijn.

Elke mens heeft een ego. Wie geen ego heeft, is nog niet geboren.

Iemand met een groot ego is een pejoratieve omschrijving voor iemand die ambitieus, ijdel, uitgesproken en uitgesproken ambitieus en ijdel is. Dus: voor iemand die zich kwetsbaar opstelt. Wie hardop uitspreekt dat hij erg graag een wedstrijd wil winnen, maakt het zichzelf veel moeilijker dan iemand die dat voor zichzelf houdt. Denk terug aan Cristiano Ronaldo in de finale van het EK Voetbal. De man met een eigen museum raakte geblesseerd, was er – tot hoon van de sociale media – het hart van in en stond de rest van de wedstrijd aan de zijlijn hevig te coachen. Niet om zelf in de belangstelling te staan, maar wel om zijn ploegmaats naar zijn droom voor de hele natie te stuwen: Europees kampioen worden. Die titel gunde ik hem na de uitschakeling van de Rode Duivels meer dan wie ook. Na het EK zwaaide Ronaldo overigens louter zijn ploegmaats lof toe. Daar geen spoor van lof voor zichzelf, de man die vindt dat hij de beste voetballer ter wereld is. Wat hij overigens ook is.6

Maar wat hij ook doet: men houdt niet van Ronaldo. Met zijn maniertjes, zonnebankhuid en sneeuwwitte gebit. Die tijdens de rust zijn haar föhnt. Een ego zo groot als zijn palmares. Dat hij bijzonder veel tijd vrijmaakt voor zijn fans en in stilte miljoenen euro’s aan goede doelen schenkt, meer dan eender welke topsporter, wordt nogal gemakkelijk vergeten. Iemand met een groot ego is geen slecht of onsympathiek mens.

*

Men struikelt over Tranquility Base Hotel + Casino omdat het niet zoals AM klinkt. Zoals men er ook over struikelde toen Favourite Worst Nightmare niet als Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not klonk, nog meer toen het zeer polariserende Humbug niet als Favourite Worst Nightmare of Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not klonk en zo mogelijk – o inconsequentie – nog meer toen Suck It and See niet als Humbug klonk.

Opvallend toch, dat men verwacht dat de band die met het album Whatever People Say I Am, That’s What I’m Not is doorgebroken, aan de platgetreden verwachtingen van eindeloze herhaling zal voldoen.

*

Ik ben door mijn moeder en vader opgevoed als een beleefd, assertief, zelfbewust kind. In het tweede leerjaar had ik bonje met de meester omdat ik weigerde zijn spelfout7 over te nemen in mijn agenda. Er ontspon zich gekibbel, hij nam mijn agenda af, corrigeerde mijn notatie in rood, waarop ik met groene pen zijn zogenaamde verbetering corrigeerde. Het pleit werd in mijn voordeel beslecht toen de directeur mijn ouders uitnodigde, die het pas uitgebrachte Groene Boekje als bewijsmateriaal aandroegen en het maar goed vonden dat ik voet bij stuk hield, wetende dat ik gelijk had. De directeur maakte er zich vanaf met dat hij in het vervolg zijn leraars beter zou opleiden.

*

Men struikelt over Tranquility Base Hotel + Casino omdat Alex Turner prominenter naar voren wordt geschoven als de bezieler van het album. Hij heeft de tekst en de muziek in zijn eentje geschreven, de plaat grotendeels alleen opgenomen.

  1. Daar is niets mis mee. Niet elk bandlid wil/moet moet per se een creërende rol hebben.
  2. Dat is bezwaarlijk een nieuw gegeven. Turner is al sinds de eerste demo de schrijver van alle teksten en van het grootste deel van de muziek. Hij is een auteur. Altijd al geweest. Enige verschil tussen vroeger en nu: er is niet gezamenlijk bepaald om een nieuw album te maken. De muze bezocht Turner, hij begon te schrijven, op te nemen, en vroeg dan – deemoedig – aan zijn vrienden de bandleden wat ze ervan vonden. Ze waren onder de indruk.
  3. Hoe kan je van een frontman van een band verwachten dat hij én briljante muziek creëert én arena’s met daarin 20 000 fans bezweert én tegelijkertijd toch low profile blijft?
  4. In 2009 vond men dat Turner te schuchter was op het podium, te weinig het publiek bespeelde. Nu vindt men dat hij te veel de show steelt.
  5. Het axioma van de eigenheid: je kan nooit voor iedereen goed doen, dus wees jezelf.
  6. Het axioma van de mens: men wantrouwt wie anders is dan hoe we zelf zijn.

*

Ik heb van half 2014 tot eind 2017 gepoogd om mijn gedrag en karakter te veranderen. Ik verzaakte aan het axioma van de eigenheid. Ik begon ermee in te zitten dat niet iedereen me graag mocht. Ik trachtte me te matigen. Ik werd beschroomder, schuchterder, schijnbaar minder geïnteresseerd. Ik was in sociale omstandigheden weinig aangenaam gezelschap. Ik probeerde me aan te passen aan wie me überhaupt nooit zou mogen.

Ik was binnenin mezelf, maar de combinatie tussen mijn ego en mijn aangepaste gedrag veroorzaakte een soort foutmelding, zoals de foutmelding die je krijgt wanneer je van een wav-bestand een mp3-bestand probeert te maken door gewoon .mp3 aan de bestandsnaam toe te voegen.8

Ik heb me nauwelijks vermaakt tussen 2014 en 2017.

Ik was niet meer zelfbewust, maar was me vooral bewust van mezelf, bewust dat ik niet te zelfbewust mocht overkomen, want men vindt dat arrogant.

Ik begon erop te letten om niet te veel zinnen te beginnen met het woord ‘ik’.

Ik vond dat heel vermoeiend.

*

Elk album dat Alex Turner heeft uitgebracht, is rechtstreeks op nummer 1 binnengekomen in de Britse hitlijst. Zeven albums op een rij. Deze week volgt zonder gekkigheid nummer acht. Dat hem dat nauwelijks wat kan schelen, wijst dat op bescheidenheid of op een groot ego?

*

Het adjectief ‘arrogant’ leerde ik kennen in 1998, toen mijn twee juffen uit het vierde leerjaar me die eigenschap toeschreven. Ze vonden het vervelend dat ik me ervan bewust was dat ik de beste van de klas was. Ze vonden het vervelend dat ik tevreden was met wie ik was, dat ik zo complexloos was. Daarop begonnen ze de tactiek van de vernedering toe te passen. Ze wezen me herhaaldelijk op de evidentie dat ik de kleinste van de klas was – alsof dat iets negatiefs was – en dreven dat zo ver tot ik op een dag boos werd en begon te huilen. Waarop ik met de pragmatische frase “Ga maar in de hoek staan, gij kleine baby!” in de hoek werd geplaatst. Liever een ongelukkig kind dan een arrogant kind, quoi. Naast het Groene Boekje was ook een cursus pedagogie niet tot in alle gelederen van de basisschool in Rupelmonde doorgedrongen.

*

Eigenlijk vonden ze het vervelend dat ik me beter leek te voelen dan de anderen, terwijl ze me er herhaaldelijk impliciet op wezen dat ik daadwerkelijk beter was. Als kinderen de leerstof niet begrepen, moest Yannick hen maar helpen. Mijn goede punten waren een evidentie. Als ik iets wist dat al de rest niet wist, werd dat onder de mat geveegd, was dat maar normaal.

Ik heb me nooit beter gevoeld dan iemand anders. Afhankelijk van de context was ik gewoon beter of slechter dan de ene of de andere. Trots waar het kon, bescheiden waar het moest. En mijn leven heeft me steeds meer stof tot bescheidenheid dan tot trots geboden.

*

Men vindt het jammer dat het talent van Arctic Monkeysdrummer Matt Helders – een van de beste drummers ooit – wordt verspild door de trage, loungy nummers op Tranquility Base Hotel + Casino. Terwijl het net veel talent vergt om het ritme aan te geven in meanderende songs. Talent kent vele gedaanten. Een auteur die spaarzaam proza hanteert, wordt toch niet aanschouwd als minder getalenteerd dan een maximalist?9

*

Toegeven dat je een groot ego hebt, is taboe. Zoals het taboe is om te zeggen dat je lid bent van Mensa10 .

*

Men denkt dat Matt Helders ongelukkig is omdat hij in de nieuwe songs de gelegenheid niet krijgt om op zijn drums te rammen. Terwijl hij zelf aangaf dat hij beseft dat de drumpartijen ten dienste moeten staan van de song.

Quizvraag: wat zou Myriam F. zeggen als het nieuwe album van Arctic Monkeys een collectief gecreëerde plaat was waarbij het hoofddoel was om het talent van Matt Helders te etaleren?

*

Antwoord: “Deze egotrip van Matt Helders laat ik graag aan mij voorbij gaan…” (sic)

*

Ik kan beter om met kritiek op mijn eigen werk dan met kritiek op het werk van mijn idolen. Wat ook weer zo’n vervelende tegenstrijdigheid in mijn leven is. Mensen die ik bewonder, zijn getalenteerd, cool, charismatisch, onbeschroomd zichzelf. Waardoor ze naast hardnekkige fans ook onvermijdelijk over een trouwe schare criticasters beschikken.

Het axioma van de mens geldt ook voor mij. Ik bewonder in anderen wat ik zelf nastreef.

*

Samenwerking leidt niet altijd tot betere resultaten. Samenwerking leidt tot compromissen. Zeker in de kunsten, waar quasi iedereen een uitgesproken mening heeft.

Naar het axioma van de mens wantrouw ik extreme van-en-metvoorstellingen, waarbij meer dan een handvol mensen verantwoordelijk zijn voor én spel én tekst én regie. Niet dat zulke voorstelling slecht zijn, integendeel zelfs, die zijn naar persoonlijk bescheiden marktonderzoek quasi altijd hoogst vermakelijk en onderhoudend. Zulke voorstelling zijn nooit ronduit slecht – maar evenmin ooit ronduit briljant. Voor het ene is er te veel verzamelde kennis aanwezig. Voor het andere ook. Om het met een variatie op een toekomstige Arctic Monkeys-hit11 te zeggen: altijd three stars out of five.

De slechtste voorstelling die ik ooit zag, was geschreven en gebracht door een persoon. De beste voorstelling die ik ooit zag, was geschreven en geregisseerd door een persoon. Naar ik vermoed waren zijn acteurs geen marionetten zonder mening, maar er zat wel een heel duidelijke visie van een heel getalenteerde maker achter.

Auteurschap impliceert niet dat je alles zelf doet. David Lynch was niet de enige man op de set van aflevering 8 van het polariserende derde seizoen van Twin Peaks. Maar dat boude, ongebreidelde, compromisloze, nooit eerder geziene uur televisie was wel 100% zijn visie. Elke filter op die visie had de kwaliteit van het resultaat tenietgedaan. Iets ongewoons wordt altijd gewantrouwd. Pas nadat Larry David met zijn ontslag dreigde, stemde NBC ermee in om de baanbrekende Seinfeld-aflevering The Chinese Restaurant12 uit te zenden, zij het pas aan het einde van het seizoen.

*

Een van de zwakste voorstellingen die ik ooit maakte13, was zodanig een compromis dat niemand van de uiterst getalenteerde equipe ook maar enigszins tevreden was met het resultaat. Niet in het minst ikzelf. Soms is het geheel veel zwakker dan de som van de delen.

Mijn allerzwakste was de jeugdzonde Liefde in der minne, de bewust ongepoëtiseerde kanalisatie van oud liefdesverdriet. Daar zat helemaal geen filter op. Het idee om na mijn eerdere hermetische en polariserende14 voorstellingen eindelijk een toegankelijk stuk te schrijven, in een soapachtige tussentaal, uit het leven gegrepen, leek me wel interessant, omdat dat idee helemaal niet strookte met mijn stijl of visie. Zoals ik al zei: een jeugdzonde.

Als ik over iets bescheiden moet zijn, is het over die voorstelling. No stars out of five.15

Beide voorstellingen werden gemaakt in de periode 2014-2017.

*

Arctic Monkeys is de band die mijn coming-of-age heeft gevolgd, getekend of vormgegeven. In 2009 heeft Humbug quasi letterlijk mijn leven gered. Niet in de zin dat ik een drenkeling op volle zee was die een Humbug-LP met een oppervlakte van 6m x 6m als vlot kon gebruiken, maar wel op een manier die ervoor heeft gezorgd dat ik dit nog typ.

Alex Turner was hét idool16 van de oude tiener en jonge twintiger Yannick Van Puymbroeck. Het album The Age of the Understatement van hem en Miles Kane verruimde de muzikale blik van iemand die tot dan louter van klassieke en alternatieve rockmuziek hield. Nadat het lome, slepende Humbug was uitgebracht, liet ik net als Turner mijn haar erg lang groeien, kocht ik een leren jasje, kocht ik via ASOS dezelfde enkellaarzen als die die hij toen droeg17. Sinds de swagger van AM ben ik in mijn vrije tijd kostuums beginnen te dragen. Sinds zijn “That rock ‘n roll”-speech op de Brit Awards in 2014 zoek ik een gelegenheid voor een net zo cocky zegetoespraak.

Potsierlijke gedachte: soms leek de invloed ook omgekeerd. Mijn snor en bakkebaarden waren er eerder dan zijn baard. Le Samouraï van Jean-Pierre Melville was van grote invloed op het ontstaan van Tranquility Base Hotel + Casino, maar was drie jaar eerder nog meer van invloed op de creatie van De man van glas die immer barst18. Net wanneer David Foster Wallace naar de titel dingt van Favoriete auteur van Yannick Van Puymbroeck anno nu19 lees ik hoezeer Alex Turner weggeblazen was door Infinite Jest. Ik vergeet de geciteerde invloed van Fassbinder en Fellini. Om van zijn voorliefde voor het oeuvre van David Bowie, Serge Gainsbourg, Nick Cave en anderen nog maar te zwijgen. Zoals ik al schreef: potsierlijke gedachte.

Ouder worden vind ik niet zo erg omdat Alex Turner 3 jaar en 14 dagen ouder is dan ik en omdat die op zijn 32 nog altijd jong en tomeloos cool is. Hetzelfde geldt voor David Lynch, die exact 43 jaar ouder is dan ik.

*

Voor wie me verdenkt van onvoorwaardelijke idolatrie: niets is minder waar. In de jaarboeken van de Klassieke Kring antwoordde ik steevast met Peter Doherty op de vraag wie mijn idool was. The Horrors was ook lang een van mijn favoriete bands. Twee mediocre albums later was de onvoorwaardelijkheid van de fanboy plots heel voorwaardelijk geworden.

*

Arctic Monkeys is de enige band waarvan ik elk nummer ken, zelfs de obscuurste demo of B-side.

Mijn favoriete nummers variëren van bekende superhits tot songs die nauwelijks tot nooit live worden gespeeld. Mijn liefde voor Do I Wanna Know? staat naast die voor Fire and the Thud, Too Much to Ask, Dance Little Liar, 505, Piledriver Waltz en Temptation Greets You Like Your Naughty Friend. En sinds 11 mei horen ook Four Out of Five, Star Treatment, Golden Trunks en American Sports in dat rijtje.

Mocht ik ooit trouwen en daarna een tweede maal trouwen, zou dat met I Wanna Be Yours als nummer voor de openingsdans zijn. En met Do Me a Favour voor de echtscheidingsdans20.

A Certain Romance vind ik enigszins overroepen. The Bad Thing en Black Treacle moeten zowat hun enige nummers zijn die ik niet graag hoor.

*

Een quote die ik al een jaar of tien parafraseer – en die volgens mij van Harry Mulisch afkomstig is: als ik een kamer binnentreed en niemand in die kamer kent mij, zal toch de helft van die kamer meteen een hekel aan mij hebben.

*

Men vindt dat Tranquility Base Hotel + Casino te veel tekst bevat. Ik geef het maar even mee, zo’n 2700 woorden ver in dit essay.

*

Een maand geleden kreeg ik van iemand die uit nieuwsgierigheid met mij in gesprek ging, na nog geen vijf minuten het semidwingende advies om dialect te hanteren en niet de verkapte standaardtaal die ik al heel mijn leven spreek. Tot vandaag stoort het me dat mijn reactie daarop zachtmoedig en verontschuldigend was – “Ik kan geen dialect, sorry” – en niet assertief. Want ik mag toch wel zelf bepalen hoe ik praat, zeker?

De pointe van die anekdote is dat de man mijn te beleefde respons hoe dan ook als hooghartig opvatte. Zijn respons was een norse: “Een gij of een gulder zal er wel vanaf kunnen, zeker?” Standaardtaal als vermeend sjibbolet van arrogantie en egocentrisme.

De ironie? Het was hem ontgaan dat ik al de hele tijd in de gij-vorm aan het praten was. Hij hanteerde de ik-vorm.

*

Net iets minder dan de stijl, het betoog en beleid van de heersende politici en de bric-à-bracmanier waarop onze onevenwichtige maatschappij in alle ongelijkheid is geconstrueerd, krijg ik de kriebels van het cliché dat bescheidenheid een deugd is, de katholieke onderbouwing van de neoliberale slogan ‘Doe maar gewoon’. Met bescheidenheid en zonder ego’s geen wetenschappelijke vooruitgang, literatuur of muziek. Ga maar eens zonder ego een hersentumor verwijderen. Begin maar een roman te tikken terwijl je boekenkast vol meesterwerken prijkt. Schrijf zonder hulp van je bandleden maar wat muziek terwijl je weet dat Mozart, Bach, Beethoven en 2 Fabiola featuring Loredana je voor zijn geweest.

*

Gek genoeg ben ik sociaal nooit zo geïsoleerd geweest als in de periode dat ik mezelf heb proberen te veranderen. Wie me graag heeft, heeft me liefst zoals ik werkelijk ben. Wie me niet graag heeft, zal me nooit graag hebben, welk masker ik ook draag, welke extensie ik ook aan mijn bestandsnaam poog toe te voegen.

*

Over een jaar of twintig zal Tranquility Base Hotel + Casino ontegensprekelijk beschouwd worden als een van de beste en belangrijkste albums van de 21e eeuw. Het in retrospect eerste chef-d’oeuvre van Alex Turner. Geen egodocument, maar een prozaïsche kroniek van de Zeitgeist.

*

Als ik Yannick Van Puymbroeck niet was, was ik graag Alex Turner geweest.

1. Bron: de Facebookpagina van Studio Brussel.

2. Een bestandsoverdracht die toen zo’n tien minuten à een kwartier duurde.

3. Limewire.

4. De oorspronkelijke naam van When the Sun Goes Down.

5. De band die vooral bekend is van de hit I’m a Believer. Wist je trouwens dat door de populariteit van Monkees-frontman en toenmalig meisjesidool Davy Jones een zekere David Jones eind jaren 60 om verwarring te voorkomen de artiestennaam David Bowie aannam? Wist je trouwens dat Davy Jones anderhalve centimeter kleiner was dan de schrijver van dit artikel?

6. Voor Lionel Messi heb ik het niet. Te huichelachtig in zijn vermeende bescheidenheid.

7. Meester Jerry schreef ‘ouderkontakt’ in plaats van ‘oudercontact’. En dat een jaar na de grote spellingshervorming.

8. Metafoor gegrepen uit het leven van An Willems.

9. Vaak is het tegendeel waar. Eenvoud wordt vaak als een soort hoogste vorm beschouwd. Meestal door mensen die bescheidenheid een deugd vinden.

10. Al heb ik dit jaar mijn lidgeld nog niet betaald.

11. Ik had het eerst – eveneens correct – als ‘Arctic Monkeyshit’ gespeld, maar zag dan de mogelijke scatologische leesverwarring in.

12. De aflevering waarin Jerry, George en Elaine in realtime op een tafeltje staan te wachten in een Chinees restaurant. Toen de NBC-bazen het script lazen, dachten ze dat er pagina’s ontbraken, omdat er geen spoor was van aktes of scènes. Beste moment van de aflevering: “Cartwright! Cartwright!” (“Who’s Cartwright?” – “I’m Cartwright.” – “You’re not Cartwright.” – “Of course I’m not Cartwright!”)

13. Ik noem de voorstelling niet bij naam, maar we weten allemaal welke ik bedoel, toch?

14. Bondage! Frontaal naakt! SM! Meer bondage!

15. Net omdat de voorstelling zo zwak was, vond het gros van het publiek die erg goed. “Het was zo herkenbaar.” Ach.

16. En Hugo Claus natuurlijk, de man die op meesterlijke wijze tegelijkertijd astrant, charmant en arrogant was. En die voor het overige ook een aardig stukje kon schrijven.

17. Black leather ankle zip boots van H By Hudson. Kostprijs anno 2009: zo’n 100 pond. Dat paar schoenen draag ik in mijn eerste solovoorstelling. 8 november 2018, hou die avond vrij.

18. In de volksmond ook wel bekend als: dat stuk met Koen Crucke. Wist je trouwens dat het affichebeeld en de coveromslag eigenlijk een bewerking is van een still uit Le Samouraï? In witzwarte duotoon zie je op de cover dus eigenlijk het silhouet van Alain Delon.

19. Dat verklaart al die voetnoten, denk je nu. Ik bevestig noch ontken.

20.And to tear apart the ties that bind / perhaps fuck off might be too kind” Vaak aan gedacht in allerhande contexten. Zie 13.

Geluk is al voorbij nog voor het is begonnen

Standaard

Woensdag 2 mei 2018, Stadio Olimpico, Rome. Het is kwart over tien in de avond. In de terugwedstrijd van de tweede halve finale in de Champions League staat het 2-2 in het duel tussen AS Roma en Liverpool. De geaggregeerde tussenstand is 4-7. Roma heeft nog een kwartier de tijd om minstens drie doelpunten te maken.

61 889 toeschouwers zien hoe trainer Eusebio Di Francesco zijn laatste vervanging doorvoert. Vedette Stephan El Shaarawy moet plaats ruimen voor de 19-jarige Mirko Antonucci. Op de Belgische televisie geeft de genietbare Q2-commentator Jan De Wijngaert1 mee dat Antonucci vandaag zijn Europees debuut maakt. Dit is waar Mirko van droomde toen hij nog een uk was.

Uit de tribunes stuiven aanmoedigingen en gejuich op. De enigen die zich ongehoord laten, zijn de familieleden van Antonucci. Zij denken: nu zou dat geluk moeten blijven duren. Met maar een invalbeurt in de halve finale van de Champions League komt er geen brood op de plank.

Orson Welles zei jaren geleden het later al te vaak geciteerde2 : “If you want a happy ending, that depends, of course, on where you stop your story.”

Met een veronderstelde prolepsis kan je elke vorm van vreugde vernietigen. Rede als sloophamer voor euforie van gewapend beton. Alsof je op een huwelijksreceptie het bruidspaar vertelt dat meer dan de helft van de getrouwde koppels ooit scheiden. Of bij een geboorte de trotse familie eraan herinnert dat het kind op een dag zal sterven.3

Pessimisten verdedigen zich steeds met de stelling dat ze een realist zijn. Ik waande me meer dan een decennium geleden een volbloed realist toen ik als voetbaltrainer weigerde te juichen telkens als mijn team scoorde. Ik vond immers dat er nog geen reden tot vreugde was, want de wedstrijd was nog niet voorbij en we konden dus nog verliezen. Erg consequent was ik niet. Als de tegenpartij scoorde, vloekte ik hoe dan ook. Doemdenken oogt geloofwaardiger dan optimisme.4

Twee doelpunten van Radja Nainggolan deden het Stadio Olimpico nog hopen en daveren, maar Roma kwam uiteindelijk een doelpunt tekort om verlengingen af te dwingen. Antonucci kende een anonieme invalbeurt. Of hem een grootste carrière te wachten staat, weet niemand. Zal Radja eigenlijk naar het WK gaan?

Enkele weken geleden ontving ik in tweevoud onverhoopt goed nieuws. Er viel me een emotie te beurt die ik de afgelopen jaren louter nog van horen zeggen kende: geluk. Dit was het begin, wist ik, een positief elan in mijn carrière, extern geloof in mijn kunnen. Van intimi kreeg ik naast euforische felicitaties ook temperende nuance te horen. Dat dat goede nieuws het begin van meer moest zijn, want dat wat er nu stond aan te komen, natuurlijk nog niet voldoende was. Dat dat geluk zou moeten blijven duren. Waarmee het geluk al voorbij was nog voor het begon.

1. Een dag eerder had ik tijdens de match Real Madrid – Bayern München een tweet geplaatst over hoe blij ik was dat Floris Geerts – en niet Peter Morren of Dirk Deferme – de Q2-commentator was. Een dag later waagde de zichzelf gretig googelende Dirk Deferme zich aan een bevreemdende conversatie met me. Mijn milde aversie voor de heren Morren en Deferme komt voort uit hun veelvuldige zondes tegen mijn overtuiging dat een commentator objectief moet zijn en de wedstrijd moet beschrijven – niet interpreteren. Tactisch inzicht is weinigen gegeven.

2. Quod erat demonstrandum.

3. Zoals in die aflevering van de formidabele VTM-serie Lili & Marleen waarin Rik – de betreurde topacteur Frank Aendenboom – een familiegraf koopt, zodat zijn nog niet eens geboren kleinzoon later een mooie rustplaats zal kennen. “Ge moet vooruitzien in het leven”, zei hij.

4. Vrees niet: volgend seizoen zal ik uitbundig juichen bij elk doelpunt dat mijn elftal – de dan intens pressende voetbalmachine Daknam – zal scoren. Cholismo.

Twee draaidagen, enkele handtekeningen en veel te weinig tekst

Standaard

‘Weer iemand die de mooiste dag van zijn leven beleeft’, mompelde Rudy Morren tegen Wim Van de Velde, terwijl een productiemedewerkster mijn lichaam vastsnoerde op een brancard. Hij had het over mij, maar hij vergiste zich.

Het was een weekavond in januari 2003. Enkele uren eerder had ik me zoals afgesproken aangemeld bij de prefect van mijn middelbare school. Hij bevestigde de officiële toestemming die hij me een week voordien al had gegeven: dat ik die specifieke namiddag wegens uitzonderlijke omstandigheden de school mocht verlaten. Ik glom van trots, waande me zo mogelijk nog belangrijker dan anders en beende haastig door de lange, verlaten gangen van het Sint-Jozef Klein-Seminarie in Sint-Niklaas. ‘Veel succes’, wensten de prefect en de secretariaatsmedewerkers me toe.

De uitzonderlijke omstandigheden waren dat ik die namiddag en avond mijn eerste van twee draaidagen had voor mijn gastrol in de populaire VTM-ziekenhuisserie Spoed. Ik was net 14 jaar en klaar om de televisiewereld te overrompelen met mijn talent.

Nog enkele weken eerder vonden er in Boom informele audities plaats voor enkele kinderrollen in producties van Studio’s Amusement. Het theatergezelschap waaraan ik toen verbonden was, was hofleverancier van alle minderjarige acteurs in Familie en Spoed. Vandaar.

Iedereen was uiterst nerveus, behalve ik. Toen ik 14 was, was ik zelfverzekerder dan ooit. Geheel onlogisch en onterecht was dat toen niet. Ik kon geen repetitie afwerken of voorstelling spelen zonder onder lof bedolven te worden. Mijn stem was zo dragend, mijn uitspraak helder, mijn timing en inleving perfect. Afijn, dat kreeg ik steevast te horen. Al Pacino kon zich maar beter voorbereiden op de wissel van de wacht. Maar we weten allemaal wat het beroemdste citaat van Bredero is.

Tot niemands verbazing was ik een van de uitverkorenen. Ik mocht een mail van de productie verwachten. In die mail zou ik mijn eerste televisiescript vinden. En inderdaad: kort voor mijn verjaardag, halfweg januari, ontving ik een mail met als bijlage het script van Vrijgezellen, aflevering 5.38 van Spoed. De begeleidende mail stipuleerde dat ik de rol van Bram vertolkte, een twaalfjarige voetballer die een kuitbeenbreuk had opgelopen. Meteen beeldde ik me een typische Spoed-scène in, een geënsceneerde voetbalwedstrijd met figuranten als spelers en supporters, een bekende acteur als trainer en ik als middelpunt van de actie en de belangstelling, met alle camera’s op mij gericht. Logisch dat ze mij voor die rol hadden gekozen, dacht ik. Ik was immers de enige in mijn theatergezelschap die ook goed kon voetballen.

Ik scrolde vluchtig door het pdf-bestand, op zoek naar de scène waarin Bram op uiterst dramatische wijze zijn kuitbeen zou breken. Al gauw stootte ik op een scène waarin ik op een brancard het ziekenhuis werd binnengereden. In de scène die daarop volgde, lag ik in een onderzoekskamer, terwijl er zich een gesprek ontspon tussen dokter Blijlevens (Wim Van de Velde), ambulancier Cisse (Rudy Morren) en verpleger Bob (Gert Lahousse) over hun plannen om de vrijgezellenavond van dokter Gijsbrecht (Leo Madder) te organiseren. Dat ik daar met een gebroken kuitbeen lag, kon de scenaristen niet deren. Op de onderzoekstafel lag ik figuurlijk tweede viool te spelen. Veel meer dan ‘Is het erg, dokter?’ had ik in die scène niet te zeggen.

In al mijn euh, spoed had ik vast over de voetbalscène gelezen, dacht ik. Ik scrolde terug, ging opnieuw en opnieuw op zoek naar de scène die niet bestond. Na een kwartier staakte ik de zoektocht en las ik verder in het script. Er volgende nog een korte scène waarin dokter Hofkens (Sven De Ridder) de taak van dokter Blijlevens overnam en dan aanstalten maakte om mij te verzorgen. Ergens mocht ik nog ‘Zeker, dokter’ en ‘Ja’ zeggen. En dat was het. Mijn gastrol bleef beperkt tot drie scènes, een zin en twee korte replieken. Zes woorden tekst. Zes. Mijn ontgoocheling en frustratie kon ik maar nauwelijks verbijten.

Bij mijn theatergezelschap ging ik verhaal halen over waarom ik zo’n kleine rol had gekregen. Een van mijn vrienden had immers in een andere Spoed-aflevering een veel grotere rol gekregen – en die vriend was een lamentabele acteur. Fons, wijlen de stichter van Tejaterstudio Piep, vertelde me dat Jonas die rol had gekregen omdat dat de rol van een doodziek kind was, een rol zonder tekst en een rol waarvoor zijn gebrek aan talent paradoxaal genoeg uitermate geschikt was. Voor mij wilden ze absoluut een rol met tekst. ‘Pf, zes woorden’, mompelde ik misnoegd.

(Dat was een kwalijke gewoonte van me. Als ik in een productie te weinig tekst kreeg, begon ik mijn aantal zinnen, woorden en letters tekst te tellen en bleef ik die getallen tot in den treure herhalen. Geen wonder dat ik in al mijn onuitstaanbaarheid zo vaak de hoofdrol kreeg.)

Maar goed: al met al was een gastrol in een populaire televisieserie wel prestigieus. Een exquis begin van mijn carrière. Niemand begint zijn carrière met de rol van zijn leven, toch?

Mijn vader reed me naar Boortmeerbeek. De bestemming was een gigantisch gebouw met dito parking. Ik mocht me aanmelden bij productieleider Norbert, om mijn contract te tekenen. Ik kreeg 50 euro per draaidag. Ik had er twee. 100 euro voor zes woorden tekst. Geen kwaad loon, des te meer omdat het 2003 was, toen een glas Cola (voor mij de maat van inflatie) op café nauwelijks meer dan een euro kostte. Ik tekende het contract in tweevoud en was eensklaps voor even een professioneel acteur.

De professionele acteur van net veertien kreeg een eigen kleedkamer met naambordje toegewezen. Die loge moest hij wel delen met de uiterst vriendelijke collega-gastacteur Dirk Vermiert (sergeant De Croet uit FC De Kampioenen). Ik liet mijn spullen achter en begaf me naar de costumières. Van hen kreeg ik een blauwwitte voetbalplunje, scheenbeschermers en voetbalschoenen. De costumières pleegden even overleg, twijfelden of de scheenbeschermers onder dan wel boven de kousen gedragen moesten worden. Met al mijn voetbalwijsheid zei ik hun dat die scheenbeschermers onder de kousen werden gedragen. Opgelost.

Ik was goed voorbereid. In het script stond dat mijn personage twaalf was. Maar ik was veertien. Qua lengte was dat geen probleem. Doordat ik toen maar 1m43 was, kon ik perfect voor een twaalfjarige doorgaan. Alleen: mijn puberteit was al twee jaar ingezet. Mijn benen waren al bedekt door een dikke laag haren en boven mijn lip stonden te veel snorharen. Niet gepast voor een twaalfjarige. Een dag eerder had ik dus onder begeleiding van mijn moeder met Veet mijn benen onthaard. Ze waren zo glad als een pas geboende ijspiste. Op de set van Spoed schoor ik voor het eerst mijn ontluikende snor. Dat werd vanaf die dag een dagelijkse gewoonte, tot en met een jaar geleden, toen ik besloot om mijn snor te laten staan.

De eerste draaidag had voor mij niet veel om het lijf. Ik moest door Jos Blijlevens, Bob en Cisse met een brancard de spoedafdeling worden binnengereden. Dat ogenblik was onderdeel van een langere scène, die heel wat acteurs en opnametijd vergde.

In de fabrieksgang die voor de kijkers de inkomhal van de spoedafdeling was, vlijde ik me neer op een brancard. Naast mij stonden Rudy Morren, Wim Van de Velde, Gert Lahousse, enkele figuranten, drie technici, wat productiemedewerkers en een ambulance. ‘Weer iemand die de mooiste dag van zijn leven beleeft’, mompelde Rudy Morren tegen Wim Van de Velde, terwijl een productiemedewerkster mijn lichaam vastsnoerde op een brancard. Hij had het over mij, maar hij vergiste zich. ‘Dit is voor mij maar het begin,’ antwoordde ik in gedachten, ‘mijn carrière zal groter en grootser zijn dan de jouwe’. Hij bedoelde het sympathiek, hij meende het goed, maar wist hij veel dat de puber op de brancard tomeloos hovaardig en ambitieus was.

Instructies kreeg ik niet. Ik moest me maar zien te redden. Ik dacht na. Brams kuitbeen was zogezegd gebroken. Hij was door een ambulance opgehaald op een voetbalveld. Daar was hij op een brancard gelegd, vastgesnoerd en vervolgens naar het ziekenhuis vervoerd. Hij lag vast al minstens tien minuten, een kwartier vol pijn op die brancard. Bram was een voetballer. Een verdediger, volgens het script. Een harde voetballer dus, geen janker. Ik besloot de pijn niet te acteren, maar Bram een soort copingstrategie te laten hanteren. Ofte: ik zou met gesloten ogen op de brancard liggen. Niemand zei me dat dat niet goed was.

Na een uur en een take of tien werd ik eindelijk van mijn boeien verlost. De eerste draaidag zat erop. Overmorgen moest ik me ’s ochtends vroeg aanmelden, voor een volledige draaidag. De draaidag van mijn zes woorden tekst. De draaidag waarop ik niet naar school moest. De dag waarop ik mijn eerste 15 minutes of fame mocht beleven.

De dag bestond voor mij uit twee delen. De scène waarin Jos, Cisse en Bob snode plannetjes smeden werd in de voormiddag opgenomen, de scène met dokter Hofkens vond in de namiddag plaats. Mijn chauffeur, die ik ook toen papa mocht noemen, installeerde zich in de cafetaria van Studio’s Amusement. Aan de toog deed Ronny Waterschoot, Didier De Kunst uit Familie, zijn naam weinig eer aan en hij bestelde zijn eerste Duvel. Het was negen uur of zo.

Ik wandelde op een voetbalschoen en een blote voet van de schmink naar de set. De vloeren van Spoed waren niet zo schoon. Vandaar dat mijn zichtbare voetzool zo zwart was in die scène.

De regisseur vroeg me of ik mijn script bijhad. ‘Ik ken al mijn tekst uit het hoofd’, zei ik met een mengeling van ironie en cynisme. Veel aanwijzingen kreeg ik niet. Mijn belangrijkste zin – ‘Is het erg, dokter?’ – moest ik zeggen toen Jos Blijlevens bedachtzaam naar de scan van mijn been stond te kijken.

Toen Campert nog schreef, schreef hij: ‘Verzet begint niet met grote woorden, maar met kleine daden.’ Ik besloot bij de tweede take in het moment om mezelf een woord tekst extra te gunnen. Toen dokter Blijlevens mijn personage meedeelde dat mijn kuitbeen gebroken was, leek het mij, karakteracteur in spe, wel gepast dat een twaalfjarige daarop zou reageren met een repliek die zowel onschuld als bezorgdheid reveleerde. En zo eigende ik mezelf een zevende woord tekst toe: ‘Oei.’

Met wat zin voor realisme besloot ik ook om bij het optillen van mijn gebroken kuitbeen niet te veel kabaal te maken. Ik was een harde verdediger, weet je wel? Al Pacino had dat personage vast niet realistischer kunnen vertolken. Kan Al Pacino eigenlijk wel voetballen?

De tweede take was meteen ook de laatste. De regisseur was tevreden. De acteurs gingen op een klein tv-toestel de rushes bekijken. Enkele andere acteurs, die op hun scènes stonden te wachten, kwamen meekijken. De delivery van mijn ‘Oei!’ riep een massale, goedkeurende lach op. Sven De Ridder en de ravissante Christel Vanschoonwinkel (Betty in De Kotmadam, dokter Kathy Pieters in Spoed) wierpen me zelfs een goedkeurende glimlach toe. Ik zat op een wolk.

De acteurs uit Familie en Spoed bliezen verzamelen in de cafetaria voor de middagmaaltijd. Zij gingen aan een lange tafel zitten. Aan de andere tafels zaten figuranten, medewerkers en enkele gepensioneerden die die dag een rondleiding kregen in de gebouwen van Studio’s Amusement. Zoals het een bescheiden televisiester paste, ging ik aan tafel zitten bij mijn chauffeur, mijn vader. Die vertelde me dat Didier De Kunst al een Duvel of vijf naar binnen had gegoten. Lang bleef ik echter niet bij mijn chauffeur. Christel wenkte me immers, nodigde me uit om aan de acteurstafel te gaan zitten. Noblesse oblige. Ik at mijn vol-au-vent en puree met weinig smaak maar veel bewondering en trots.

Na de maaltijd werd het gros van de acteurs weggeroepen, want zij moesten weer aan de slag. Ik diende nog wat te wachten. Mijn vader en ik dronken een cola. De acteur aan de toog zat inmiddels aan Duvel nummer zeven. Het was nog niet eens een uur. Niet veel later volgde mijn eresaluut. Uit de intercom weerklonk:

‘Yannick Van Puymbroeck wordt dringend op de set van Spoed gevraagd. Ik herhaal: Yannick Van Puymbroeck wordt dringend op de set van Spoed gevraagd.’

Fluks stond ik op. De gepensioneerden keken op van achter hun koffies en gebakjes, sperden hun monden en ogen, staarden me aan als was ik de nieuwe Guido Van den Bossche. Ik was een ster.

Op de set verontschuldigde ik me niet voor mijn laattijdigheid. Dat doen vedettes niet. Ik ging weer op de bank liggen. De regisseur gaf wat summiere instructies. De camera’s werden op mij en mijn collega’s Van de Velde en De Ridder gericht. Actie.

Fascinerend vond ik het hoe de scène take na take een nieuwe wending kreeg. Wim Van de Velde en Sven De Ridder improviseerden erop los. Wat op papier een droge scène was met een dokterswissel, ontaardde al gauw in een rivaliteitsspel vol steken onder water. (Van water gesproken: mijn vader was in de tussentijd de tel kwijt wat betreft het aantal Duvels van de heer Waterschoot.) Improviseren was hier de norm? Geen probleem. Wederom zag ik mijn kans schoon. Dokter Hofkens vroeg me: ‘Gij speelt back?’ ‘Ja’, antwoordde ik naar het script. ‘Venijnig aanvallerke, zeker?’ En in plaats van daar de scène te laten stoppen, gaf ik, meester over de situatie, een ontspannen repliek aan de vriendelijke dokter. ‘Amai’, improviseerde ik, en ik schraapte veroordelend mijn keel als besluit. (Later zou de VPRO in de Nederlandse uitzendingen mijn geïmproviseerde ‘Amai’ ondertitelen als: ‘Zeg dat wel.)

‘Cut! Dat was een heel goeie’, riep de regisseur. Puntgaaf. Het begin van mijn acteercarrière zat erop. Dat had ik knap gedaan, vond ik van mezelf. De rushes zagen er goed uit, de scène was door de improvisatie van Wim en Sven (in gedachten mocht ik Wim en Sven zeggen) beduidend beter geworden, de voetballer verkeerde in de vorm van zijn leven.

Op de wandeling naar mijn loge werd ik aangeklampt door de bejaarden. Ze hadden boekjes in de hand. Vroegen mij, de bekende acteur, of ik geen handtekening wilde plaatsen. ‘Natuurlijk’, zei ik met de jovialiteit van een hautaine vedette die naar eigen zeggen altijd gewoon is gebleven. Zo komt het dat er nu ergens in Vlaanderen enkele families zonder het te weten een authentieke Van Puymbroeck-signatuur geërfd hebben van hun overleden (groot)ouders.

Op 19 maart 2003, ongeveer twee maanden na de opnames, vandaag dag op dag vijftien jaar geleden, werd de Spoed-aflevering Vrijgezellen uitgezonden. Die avond kreeg ik enkele sms’jes en chatberichten via wijlen MSN Messenger. Plots had ik ook een eigen pagina op internet – hét internet. In de International Movie Database (imdb.com) stond plots:

‘Yannick Van Puymbroeck is an actor, known for Spoed (2003).’ Dat bleef veertien jaar ongewijzigd, tot ik Misantropica maakte.

Veel veranderde er niet in mijn leven. De lerares godsdienst vroeg me wel hoe ik aan die rol was geraakt. In het schoolmagazine Ic Hou verscheen een interview met als kop ‘Yannick Van Puymbroeck (2e Grieks-Latijn) in Spoed’. Enkele jongens van het 6e middelbaar vroegen me ironisch om een handtekening – die ik wel heb geplaatst, daar niet van. Mijn klasgenoten vermaakten zich met de frase ‘Haast en SPOED zijn zelden goed’ wanneer ik een examen behoorlijk snel indiende. Maar veel veranderde mijn televisierol niet aan mijn leven. Mijn kleine rol betekende niet mijn grote doorbraak. Na Spoed heb ik geen nieuwe televisierol meer toebedeeld gekregen.

De acteersectie van mijn IMDb-pagina bestaat tot nader order uit twee credits. In 2003 was ik een ‘Voetballertje’ in Spoed. In 2017 vertolkte ik in Misantropica de rol van ‘Yannick Van Puymbroeck’. Hoe je het ook wendt of keert: twee rollen die Al Pacino of Ronny Waterschoot nooit zouden kunnen vertolken.

Ooit, ooit wil ik nog wel als acteur op televisie verschijnen. Maar voorlopig heb ik geen haast. En nee, ook geen spoed.